De Oudheid (tot 476 n. Chr.)

Mesopotamië en Babylonië

Meer dan 3000 jaar v. Chr. was het “bankbedrijf” religieus getint.

In Mesopotamië en Babylonië waren het priesters die de rol van bankier op zich namen.

  • Zij ontvingen giften van mensen die de bescherming van de goden wilden afkopen.
  • Ze verzamelden enorme middelen door de opeenstapeling van kleine giften zoals graan en vee, enz..
  • Ze leenden akkers, vee, slaven, enz. aan handelaars en landbouwers.
  • Ze registreerden alle transacties op kleitabletten.

Toen deze transacties in aantal toenamen, werden normen vastgesteld voor de bankverrichtingen. Onder de Babylonische koning Hammurabi (1792-1750 v. Chr.) wordt de eerste code (Codex van Hammurabi) opgesteld.

Griekenland

Het oude Griekenland was de bakermat van enkele belangrijke ontwikkelingen in het bankwezen:

  • Eén munt voor elke stad: tot een eind in de 5de eeuw v. Chr. sloeg elke Griekse handelsstad haar eigen munt.
  • Eén munt voor heel het Middellandse Zeebekken: de drachme en de obool (1 drachme = 6 obolen) werden vanaf de 5de eeuw aangemunt als gevolg van de uitbreiding van het Atheense rijk. De munten golden voor heel het Middellandse Zeebekken.
  • De eerste Griekse bankiers: de collubisten (fungeerden als geldwisselaars) en trapezieten (bank = trapeza in het Grieks) vestigden zich eerst als handelaars die hun kramen opsloegen op beurzen en markten, en later als bankiers. Zij ontvingen deposito’s, verstrekten leningen en ontwikkelden een efficiënt betalingssysteem.
    De houder van een document dat bijvoorbeeld door een Atheense bank werd uitgegeven, kon dankzij dit document bijvoorbeeld een bepaalde geldsom afhalen van een klant van een bank in Sinope, een handelsstadje aan de Zwarte Zee. Zo’n transactie veronderstelde dat voor iedere klant de boekhouding stipt werd bijgehouden.
  • De eerste openbare banken: in de 4de eeuw v. Chr. stichtten de Oudgriekse stadstaten en steden de openbare banken, die de overheidsfondsen beheerden, de ontvangsten inden en de uitgaven betaalden.

Rome

De Romeinen toonden, althans aanvankelijk, weinig belangstelling voor bankzaken. Romeinen waren meer een volk van landbouwers dan van handelaars. Als gevolg van hun militaire veroveringen kwamen ze echter in contact met verschillende mediterrane volkeren. Dat bracht handelsverkeer op gang maar zorgde ook voor problemen met de omwisseling van munten, de inning en overdracht van de belastingen, enz.

Op dat ogenblik ontstonden, naar Grieks voorbeeld:

  • privébankiers (argentarii), die hun tafels (banca) op het Forum vestigden, maar zich na verloop van tijd installeerden in factorijen die de staat hen verhuurde. Hun activiteit was vooral op de interne markt afgestemd.
  • openbare banken (mensae), die verspreid waren over de provincies maar over een centrale kas in Rome beschikten. Hun taak bestond in de inning van de belastingen, de uitgifte van geld en het toezicht op de wisselkoersen.

Vanaf de 2de eeuw v. Chr. heerste een kapitalistische economie in Rome en ontwikkelde het zakenleven zich.

De Romeinen ontwikkelden als eersten een solide juridische basis voor deposito’s, leningen en financiële transacties.